“Kijk, je moet er allebei achter staan, achter zo’n bedrijf, en dat deden we.”

 

Terug

We gaan weer naar de rust toe

Truus de Vreede-Buijing groeide op in het Westland en trouwde met een tuinder. Haar man ging op de brommer naar Emmen omdat hij hier grond voor een eigen tuinbouwbedrijf kon krijgen. “De tegels kregen we van een vertegenwoordiger van tuinbouwkassen. Ze staan nog steeds in de kast.”

“Ik woon hier nou alweer zes jaar. Het huis is een stuk kleiner dan onze flat aan de Westerstraat, waar ik vandaan kwam. Bij de verhuizing zijn veel spullen weggegaan of naar de kinderen toe. Pas zei mijn dochter tegen me dat er nog veel bij haar staat. Maar ik mis helemaal niks, hoor! Deze woning is groot genoeg. Ik heb een woonkamer, keuken en twee slaapkamers. Alleen de badkamer is eigenlijk te klein, vooral omdat ze er een muur in hebben gezet om de wasmachine tegenaan te zetten.

Hometrainer

 In de tijd dat ik hier woon, ben ik eigenlijk niet veel slechter geworden. Ja, ze komen me helpen met douchen en ze doen m’n vaat omdat ik het niet meer zo goed kan zien. ‘s Avonds doe ik het wel zelf hoor, maar tussen de middag heb je dat warme eten, hè? Maar al met al ben ik nog in goede doen. Ik ga op het ogenblik elke dag twee keer fietsen op de hometrainer. In de coronatijd stond de fiets hier in de woonkamer. Ik wil wel blijven fietsen, je doet al zo weinig, je zit de hele dag.’

Op de brommer

Ik kom uit De Lier, een plaatsje ten zuidwesten van Delft, midden in tuinbouwgebied Westland. Bij mijn schoonfamilie verbouwden ze koude tomaten en Hollandse druiven. Koude tomaten, dat wil zeggen dat ze niet stoken in de kassen. Toen we verkering hadden, was mijn man al bezig om in Emmen grond voor een tuinbouwbedrijf te krijgen. Daar had hij over gelezen in het blad Groente & Fruit. Hij stapte op zijn brommer – want ja, geld was er niet – en ging naar Emmen om te vragen of hij daarvoor in aanmerking kwam. Toen hij op het gemeentehuis aan- kwam, kreeg hij gelijk koffie. Hij werd warm onthaald natuurlijk, zo van ´jij durft!´. Hij vertelde zijn verhaal en uiteindelijk kon hij een stuk land krijgen. Ja, hij was wel een doorpakker, mijn man.

Klessebessen

In 1958 kwamen we naar Erica. Ik was snel gewend, ik ben daar nogal makkelijk in. Je had ook mensen uit het westen die elke dag naar huis belden. Zo waren wij niet. Trouwens, de eerste paar jaren had ik nog niet eens telefoon, dat kon er niet af. De mensen waren hier lang niet zo gejaagd als in het westen. Je stond soms een half uur te klessebessen als je boodschappen deed. In het begin dacht ik wel eens ´ik kom nooit meer weg uit deze winkel!´. En altijd als we vanuit het Westen weer naar huis reden, zeiden we bij Zwolle: ‘we gaan weer naar de rust toe!’.

We hebben twintig jaar aan de Warmoesweg in Erica gewoond, daar huurden we een woning met een tuin, een schuur en een stuk land. Ondertussen hadden we drie zoons en twee dochters en voor elk kindje moest die kas weer groter worden, vond mijn man. We hadden zogeheten platglaskassen. Dan staan de ramen schuin tegenover elkaar. Midden in de winter wordt het te koud en dus dekten we het glas voor de nacht af met rieten matten. ’s Morgens moest je die dan weer weghalen. Mijn man had 1000 platglasramen tegenover elkaar. Hij stond aan de ene kant, en ik aan de andere kant om de mat netjes neer te leggen zodat het goed beschermd was. ’s Morgens deden we het dan weer andersom.

Katholiek

Kijk, je moet er allebei achter staan, achter zo’n bedrijf, en dat deden we. In huis werd niet zo gek veel gedaan. Ja, je haalde er eens de stofzuiger door, maar dat was het zo’n beetje. Je was volop in de tuin, dat was immers je verdienste. Ook de kinderen werkten mee. Nou ja, ze gingen eerst naar school natuurlijk. De lagere school was in De Peel, dat was om de hoek. Wij zijn van huis uit katholiek en dan moest je eigenlijk naar de katholieke school, maar dat was vier, vijf kilometer verderop. Op een gegeven moment kwam de dokter bij me. Ik was 28 en had vijf kinderen gekregen in acht jaar tijd. De dokter vond dat genoeg en wilde me de pil voorschrijven. ´Dat mag niet´, zei ik, ´want ik ben katholiek´. Maar dat zou hij zelf wel vertellen aan de kapelaan.

De andere week stond de kapelaan op de stoep. Nee, de pil, dat kon hij niet goed vinden. Ik mocht geen communie meer ontvangen en ik mocht niet meer biechten. Nou, ik ging toch aan de pil. We zeiden: we geloven wel, maar we gaan niet meer naar de kerk. De kinderen gingen naar de openbare school, maar ze zijn wel gedoopt, zodat ze later zelf konden kiezen. Op zondagochtend kijk ik nog wel eens een kerkdienst op televisie als er een mooie preek is. En of je nou naar een gereformeerde of een katholieke dienst kijkt, daar zit tegenwoordig weinig verschil in, hè?

Opstandig

Na 33 jaar tuindersbedrijf kreeg mijn man een herseninfarct. Toen ging het niet meer. We verhuisden naar de flat in de Westerstraat in Emmen, waar we nog 22 jaar gewoond hebben. Na de Westerstraat gingen we naar Holdert, maar daar zijn we maar een paar weken samen geweest. Dat komt, mijn man woonde hier tijdelijk omdat ik in het ziekenhuis lag voor een nieuwe heup. Hij kon niet meer alleen zijn in onze flat. Ik zei, ´ik kom terug uit het ziekenhuis en dan gaan we gewoon weer samen naar onze flat.´ Maar dat bleek niet te gaan, ik bloedde te veel en mocht niet naar huis. Dat was al een tegenvaller voor mijn man. Ik moest zes weken revalideren. Gelukkig kon dat in Holdert, er was een huis vrij. Maar mijn man werd opstandig. ‘Dat had je niet beloofd! Je zou mij terughalen en nu ga je hier zelf wonen!’ ‘Ik kan er ook niks aan doen’, zei ik. ‘Het gaat gewoon niet.’

Na een paar weken in Holdert liep mijn man weg, terug naar onze flat aan de Westerstraat. Maar daar was niets meer. Onze zoon zorgde ervoor dat er een ledikant kwam, toen ging hij daar weer slapen. Hij kreeg eten van een maaltijdservice en er kwam een sleutelkastje bij de deur voor de verpleegster. Op een gegeven moment was het niet meer vertrouwd dat hij daar alleen was. Hij begreep het allemaal niet meer. Toen is hij naar De Bleerinck gegaan. ´Over een paar weken ben ik weer bij je, Truus!´, zei hij. Hij heeft er drie jaar gewoond. In 2017 is hij overleden.

Hollandse druiven

Toen we hier naartoe verhuisden, heb ik veel weggedaan, maar de tegeltjes met plaatjes van de tuinbouw heb ik altijd bewaard. Ieder jaar kwam de vertegenwoordiger van kassenbouwbedrijf Brinkman uit Schoonhoven bij ons op bezoek en dan gaf hij ons zo’n tegeltje. Later kregen ze ook nog een filiaal in Nieuw-Amsterdam, tegenover het station. Ik vond de tegeltjes leuk, ook omdat mijn vader altijd in de tuinbouw had gewerkt. Maar ik gaf ze niet aan hem, want dat vond mijn moeder dan weer niet goed. ‘Die rommel hoef ik niet’, zei ze dan, haha.

De afbeeldingen op de tegeltjes laten precies zien hoe het was in de tuinbouw. Zoals dat druiven plukken, dat deden ze bij mijn schoonfamilie. Ze hadden echte Hollandse druiven, die hebben we zelf ook nog op de kas gehad en later in ons volkstuintje. Als jonge jongen moest mijn man al druiven krenten. Dan haal je de kleine druiven eraf, zodat de andere druiven groter worden. Dat moet je echt leren, hoor! Je haalde er zowat de helft uit en dan kreeg je mooie, grote druiven met zachte velletjes. De druiven die je nu hier krijgt, hebben een veel te taaie schil. Tegenwoordig hoor je niks meer van Hollandse druiven. Jammer, want ik vond ze heerlijk!”

Volgende