“‘Ma, die poppen, wat moet je daarmee, neem je die mee?’”

 

Terug

Koekjes na kerktijd

Samen met negen broers en zussen groeide Nel Horn-Broekhuizen op in Rotterdam-IJsselmonde. Ze verhuisde zo’n zeven keer in haar leven en belandde uiteindelijk in Emmen. “De koekjespot van mijn moeder heb ik altijd bewaard.”

“Ik had een vrij groot huis, dus ik moest veel weg doen toen ik hier naar toe ging. Dan kun je wel zeggen zonde van dit en zonde van dat, maar ja, daar heb je niet zoveel aan, hè? Dingen waar ik aan gehecht ben, heb ik aan mijn kleinkinderen gegeven. Ik zei, neem maar mee wat je kunt gebruiken. Voor mij is dat ook weer leuk, dat zij spullen overnemen. Mijn kleinzoon was toen nog niet getrouwd. Mijn servies kun jij wel krijgen, zei ik tegen hem. Heel de rataplan, tot soepkommen toe, want ik kan niks kwijt hier. Zelf heb ik ook nog wat bewaard, zoals de glazen koekjespot van mijn moeder. Maar verder heb ik niet zoveel meer, hoor.

Doe maar weg

In de slaapkamer van mijn vorige huis stonden porseleinen poppen in de vensterbank. Die had ik gemaakt op een cursus. Dat waren kostbare poppen, van echt porselein. Ze zijn allemaal naar de kringloop gegaan. Cor, mijn zoon, belde me op toen hij aan het werk was in mijn huis. ‘Ma, die poppen, wat moet je daarmee, neem je die mee?’ Ik zei: ‘Jongen, waar moet ik ze neerzetten? Ik kan ze niet meer kwijt. De kinderen hoeven ze niet en je kunt er ook niet mee spelen. Doe maar weg!’ Daar heb ik wel spijt van hoor, nou! Ik had ze ook hier in de slaapkamer kunnen zetten. Gewoon heel dom. Maar dan zit je in zo’n fase van waar moet ik het allemaal laten, doe maar weg.

De koekjespot nam ik mee omdat je die op tafel kunt zetten als je visite hebt. Dat was wel een voorwaarde om iets te bewaren, dat je het nog kunt gebruiken. En omdat het van mijn ouders was natuurlijk. Emotionele waarde, hè? Mijn moeder kreeg de koekjespot van haar oma toen ze trouwde. Haar eigen moeder stierf toen zij in 1900 geboren werd, ze is groot gebracht door haar oma. De pot is dus meer dan honderd jaar oud.

Piepkleine huisjes

Ik groeide op aan de Smeetslandsedijk in IJsselmonde, toen nog een dorpje onder de rook van Rotterdam. We waren met negen kinderen, dus met mijn ouders erbij met elf personen. Het was een groot gezin, er was niet veel geld, maar we hadden het wel heel gezellig. Ons huisje was piepklein. We hadden een kamer, een keuken en een grote zolder. Voor elf personen, dat is toch niet te

geloven? Maar je wist niet beter. Ik kan niet zeggen dat ik het vervelend vond. Mijn vijf oudere broers sliepen allemaal op de zolder. Mijn oudste zus ook, maar dan wel met een groot gordijn langs haar bed als afscheiding. Mijn ouders sliepen beneden in de ene bedstee en wij, de drie jongsten, in de andere.

We hadden geen badkamer. De oudsten gingen met een emmer naar boven en de kleintjes werden beneden in de teil gewassen. Er was wel een toilet in huis, zo’n ouderwetse plee met een grote houten klep en zo´n hartje in de deur. Andere huizen in de buurt hadden vaak nog toiletten buiten. Vreselijk!

Met al die kinderen had mijn moeder natuurlijk veel te wassen. Dat deed ze nog in de tobbe, met een stamper. Wasketels op het vuur met het witte goed erin om te trekken. Ze had geen stofzuiger, kleden werden geklopt en buiten over zo´n rek heen gehangen. Ach, het was echt rampzalig! Hoe heeft ze dat allemaal kunnen doen? Ze had later ook nooit tijd om op bezoek te gaan bij haar getrouwde kinderen. Dan was ze een dag weg, dat kon niet.

Mijn vader werkte in de haven van Rotterdam. Hij ging lopend naar zijn werk, dan was hij zo’n half uur, drie kwartier onderweg. Als er een boot met bananen of sinaasappelen aan kwam, bracht hij die mee naar huis. Dat was toen een hele luxe! Dan was er weer een zak gebroken of wat dan ook, weet je wel, en dan mochten de havenarbeiders dat meenemen. Mijn vader sleepte alles mee, met zoveel kinderen kwam het altijd goed van pas.

Gezelligheid

Op zaterdag bakte mijn moeder een cake, een boterkoek of koekjes. Op zondag kwam dan de koekjespot op tafel, vol met lekkers. Met al die kinderen was de pot na één ronde al leeg. Soms kregen we ’s avonds al wat, als ze net gebakken had. Maar meestal stond de koekjespot zondagmorgen op tafel, bij het koffie drinken na kerktijd.

Daarom is die pot voor mij verbonden aan gezelligheid en vers gebakken koekjes. M’n moeder bakte in de oven van het kolenfornuis. De kolen lagen in de kelder. De klep omhoog, een klein trapje af en dan lagen aan de ene kant de winterkolen en aan de andere kant de aardappelen. Ieder jaar kregen we twaalf mud aardappelen. Een mud is zeventig kilo, dus reken maar uit. Als de kolen op waren, moesten mijn broers met de kolenkit nieuwe halen. Dat hoefden wij als meisjes niet te doen.

Kopjeskast

Ons huisje had twee ramen, daartussen de voordeur met een klein stoepje ervoor, direct aan de dijk, waar de karren met paarden voorbij reden. Je kwam binnen in een klein portaal. Langs de muur stonden alle schoenen op een rijtje, in de keuken stonden de klompjes van de kinderen. De kamer en de keuken hadden elk een kachel. In de keuken stond ook een tafel, maar die was te klein om met z´n allen aan te eten. Dat deden we in de woonkamer. Daar stond een hele grote tafel, die konden we aan beide kanten uittrekken. We hadden niet genoeg stoelen, maar als we de wasplank op twee stoelen legden kon iedereen zitten. Vader en moeder hadden ieder een eigen fauteuil, zo’n Liberty-stoel, ken je die? Die waren te laag om aan de tafel te zetten. Ze stonden voor het raam, met een tafeltje ertussen. Als ik mijn ogen dicht doe, zie ik het nog zo voor me. Er stond ook nog een servieskast, de kopjeskast noemden we die. Daar stonden mooie kopjes en karaffen in. En de koekjespot.

Moeder is in 1975 overleden, vader in 1981. Ik weet nog dat mijn moeder voor de eerste keer AOW kreeg, van vadertje Drees, die opkwam voor de arbeiders. Ze was stomverbaasd. ‘Hoe kan dat nou! Krijgt iedereen dit? Waar halen ze dat geld vandaan?’ Ze vond het onbegrijpelijk, dat je niet hoefde te werken en toch geld kreeg.

Verhuizen

Ik ben jong getrouwd. De eerste maanden woonden we bij mijn schoonouders in Ridderkerk. Daar is ook ons eerste kind geboren. Mijn man werkte bij Verolme, in de scheepsbouw. Later verhuisden we naar Rozenburg en van Rozenburg gingen we naar Spijkenisse. In Spijkenisse ging mijn man aan de slag als ziekenfondsbode. Hij ging bij de mensen langs om het geld voor de ziekenfondspremie op te halen, hield spreekavonden en had thuis een kantoortje voor als mensen niet thuis waren. Een heel ander beroep, dat hij met veel liefde gedaan heeft. Helaas is hij jong overleden, hij had longkanker.

We hadden vrienden in Amsterdam, ook een stel. De vrouw van dat stel had MS, ze overleed nog eerder dan mijn man. Haar man werd later mijn tweede man. Hij nam me mee naar Amsterdam. Hij werkte bij Stork en was veel op pad voor zijn werk. Daarom zijn we later naar Houten verhuisd, bij Utrecht, dat lag wat meer centraal. Eerst woonden we daar in een groot huis, het middelste van een rijtje van drie. Onze buurman werkte bij het gemeentehuis en wist dat er een nieuwe flat zou komen. ‘Daar moet jij naar toe gaan’, zei hij tegen mij. Traplopen werd namelijk steeds moeilijker, en het viel niet mee om dat grote huis bij te houden. Bij de verhuizing hoefde ik niet veel weg te doen, het was een royaal appartement waar we naar toe gingen. Er kon nog wel wat bij, zo groot was het! In de flat is mijn tweede man overleden. Hij had een ingekapselde tumor. Al met al is hij negen jaar ziek geweest voor hij eraan overleed.

Van de flat in Houten ging ik naar Holdert in Emmen. Mijn zoon Cor woonde hier en wilde dat ik naar Emmen kwam. Mijn andere twee kinderen heb ik ook verloren aan kanker, dus ik had alleen Cor nog, en de kleinkinderen natuurlijk. Maar toen ik nog maar een paar maanden hier was, werd hij ziek. Ook kanker. Vorig jaar is hij overleden. Ik kom al jaren niet meer in de kerk, maar ik geloof best dat er meer is tussen hemel en aarde, want er gebeuren dingen, die kunnen geen toeval zijn. Is het toeval dat ik hier ben gekomen? Of heeft het zo moeten zijn? Ik woonde alleen in Houten. Cor was klaar met werken en dan zouden we met hem en de kinderen leuke dingen kunnen doen. Cor was gezond toen ik hier kwam en nu is hij overleden. Het heeft zo moeten zijn dat ik hier nu zit. Dat kan geen toeval zijn.

Als ik alles van tevoren had geweten, dan was ik in mijn flat in Houten gebleven. Want je huis, je spulletjes, je buurtjes, je clubjes, je vereniging … alles ben je kwijt. In Houten was ik nooit thuis. Ik heb 31 jaar op de fietsclub gezeten. Vanuit de fietsclub gingen we ´s winters ook schilderen en handwerken, met elkaar naar het theater en iedere maand koffie drinken of samen uit eten. De eerste verjaardag die ik hier in Emmen had, huurden ze met z’n allen een busje en kwamen ze op bezoek.

Mijn kamertje

Ik ben vaak genoeg verhuisd, ik denk wel een keer of zeven. Gelukkig ben ik wel makkelijk. Ik voel me snel ergens thuis. Je moet ook zelf dingen regelen en ondernemen hè, anders lukt het niet. Maar ik ben geen mens om elke dag beneden in het restaurant te zitten. Dat hoeft voor mij niet, dan voelt het alsof ik in een bejaardenhuis zit. Ik ben natuurlijk ook bejaard, daar gaat het niet om, maar hier op mijn kamertje merk ik daar niks van. Hier kan ik gewoon rommelen zoals ik zelf wil.

Hier in Holdert heb ik een paar leuke contacten. Met corona is het allemaal moeilijk. Ik zie mijn twee vriendinnen minder vaak, want je mag niet bij elkaar op de afdeling komen. Maar we kunnen wel samen naar buiten, naar het Rensenpark bijvoorbeeld. Daar drinken we dan een kopje koffie. Ik doe ook wel mee met sommige activiteiten die beneden in Holdert georganiseerd worden. Schilderen bijvoorbeeld, dat vind ik wel leuk.

Dit was vanaf het begin mijn huisje. Het is niet klein, maar groot genoeg en heel praktisch. En ik heb een heel mooi uitzicht! Dit is het mooiste plekje. Ik stond ingeschreven voor een appartement aan de overkant. Die zijn groter en hebben een extra kamer en een balkon. Toen kwam dit leeg. Ik belde Cor en hij zei ‘Ma, dat is toch groot zat voor u? En het uitzicht is veel mooier.’ Daar heb ik nooit geen spijt van gehad. Het is goed hier, dit is mijn kamertje.

Bijna al mijn spullen zijn weg, maar de koekjespot van mijn moeder is er nog. Bij feestelijke gelegenheden komt die op tafel. Hij is mooi, hè? Ik dacht, ik doe er wat kersenbonbons in, voor de kleur. Nemen jullie een bonbon eruit? En wil je koffie of thee erbij?”

Volgende