“Zolang ze leefde, ging ik ieder jaar naar mijn moeder als ze jarig was.”

 

Terug

Zo toevallig kan het leven zijn

Op het dressoir in de huiskamer van Gerrit Freriksen staat een zwart-witfoto van zijn moeder. Zijn moeder was belangrijk voor hem. “Haar foto heb ik steeds overal mee naar toe genomen, waar ik ook woonde.”

Door de gevolgen van een herseninfarct moest Gerrit in 2006 verhuizen naar woonzorgcentrum Holdert. Hij woonde eerst in een aanleunwoning en sinds 2009 in zijn appartement op de bovenste verdieping. “Ik wilde zo hoog mogelijk wonen. Dan heb je weinig buren en een mooi uitzicht. Dat is gelukt en ik woon hier nu alweer 12 jaar.” Voordat Gerrit naar Holdert ging, deelde hij jarenlang een woning met collega-spoorman Dolf.

“We woonden onder andere in Amsterdam en Almere. We zijn in Emmen verzeild geraakt via de stiefvader van Dolf. Ik had een herseninfarct gehad en heb jarenlang moeten revalideren in De Trappenberg in Huizen. Met wat hulp van Dolfs stiefvader kregen we een nieuwbouwhuis aan De Klepel, hier vlakbij. Dolf woonde boven, ik beneden. Ik kreeg veel thuiszorg en allerlei voorzieningen via de Wmo van de gemeente. Dat was fijn. Aan de mevrouw van de thuiszorg kon ik slecht wennen. Het was een leuk mens, maar ik kon er niet tegen om almaar door haar gecommandeerd te worden. Een paar jaar later kwam ze via de thuiszorg bij Dolf. Ik kende haar niet terug! Zij en Dolf konden het goed met elkaar vinden en toen zijn ze getrouwd. Ze zag het niet zitten om met twee mannen in een huis te wonen. Ik had ondertussen behoorlijk veel hulp nodig, dus ik ging op zoek naar een ander huis.

Verrassing

De Klepel is vlakbij woonwijkcentrum Zuidermarke. Dat leek me een goede plek voor mij, maar er was een wachtlijst van vier jaar. Toen belde de huisarts. Of ik even langs kon komen, ‘want ik heb een verrassing voor u’. Ik ernaar toe met de rollator. Hij zei: ‘Heeft u wel eens gehoord van Holdert? Daar is tijdelijk een aanleunwoning vrij, maar er komt nieuwbouw. Dat kan nog wel een paar jaar duren, maar dan bent u de eerste.’ Zo kwam ik in 2006 in een aanleunwoning van Holdert terecht.

Daar woonde ik tussen allemaal oudere mensen. Ik kon toen nog lopen, dus deed ik de boodschappen voor hen. Ik dacht, ik kan ook nog wel aan de slag bij parkeertoezicht, maar daar was ik toch niet goed genoeg voor. Ik heb drie jaar in de aanleunwoning gewoond, toen was de nieuwe flat van Holdert klaar. Dolf en ik hebben al die tijd wel contact gehouden. Hij regelde nog lang mijn zaken. Dat werd minder nadat hij een hartaanval kreeg. Nu heb ik iemand van Humanitas die me daarbij helpt. En weet je wat nou het geval is? Dolf en zijn vrouw wonen hier nu ook in Holdert. En zijn stiefmoeder ook, zij is nu 95. Allemaal weer onder één dak!”

Liften

Gerrit komt uit Delden, bij Hengelo in Twente. “Daar heeft mijn moeder tot haar dood gewoond. Ze was heel sociaal en geduldig. Wel streng, streng gelovig ook. Mijn vader was een beetje ruw. Het was water en vuur, die twee. Hij werkte in de weverij, het was een norse man. Ik had niet zoveel met mijn vader. Mijn moeder deed veel voor de kerk, ze was altijd bezig voor een ander. Tot haar haar 88e hielp ze als mantelzorger in de huishouding bij andere mensen. Daar kreeg ze dan een fooitje voor van de gemeente. Ze was heel amicaal en sociaal. Bij haar uitvaart leek het alsof het de hele buurt was leeggelopen, zoveel mensen waren er. Er zijn veel mooie woorden gesproken.

Zolang ze leefde, ging ik ieder jaar naar mijn moeder als ze jarig was. Toen ze 50 werd, zat ik in dienst in Maarn. Ik besloot naar huis te liften, hoewel dat toen niet mocht van het leger. Met de broodwagen reed ik mee tot het eerste grote kruispunt. Dat was geen drukke verkeersweg hoor, er kwamen alleen wat toeristen voor het Kaiser Wilhelm-monument en de grote WO II-begraafplaats. Ik stak mijn hand niet op, want ja, het mocht niet en je wist maar nooit wie er langs reed, hè? Toen kwam een grote witte stationcar langs. Ik stak toch mijn hand maar op. Eerst reed hij door, maar toen kwam hij terug. Hij vroeg: ´Waar moet u heen?´ Ik dacht, Delden, dat zegt hem niets, dus ik zei: ´Hengelo´. ‘U kunt meerijden tot Zutphen’, zei hij. Dus ik stapte in.

Toevallig

De man was verkoper en hij ging naar Markelo. Onderweg moest hij nog ergens iets afgeven aan een jarige relatie. Op de splitsing Hengelo-Enschede, richting Goor, stopte hij op mijn aanwijzingen. ‘Waar zal ik je afzetten?’ Ik dacht, als ik maar op de weg naar Delden kom, dan is het goed. Toen vroeg hij: ‘Waar moet je eigenlijk naar toe?’. Naar Delden, antwoordde ik. Hij schrok ervan. ‘Ik moet ook naar Delden!’ Dus we reden naar Delden. Hij vroeg me hoe mijn moeder heette. `Mien Freriksen, van pluimveeslachterij Haverkate in Goor´, zei ik. Wat bleek nou? Het pakketje dat hij af moest geven, was een vleespakket voor … mijn jarige moeder! De man werkte bij pluimveeslachterij Haverkate, de firma van de broer van mijn moeder. Namens de medewerkers van het bedrijf bracht hij het pakket en een bos bloemen naar mijn moeder. We belden aan en mijn jongste broertje deed open. De man ging met me mee naar binnen. ‘Goh, dat dat nou jouw moeder is!’ Is dat nou niet vreselijk toevallig? Hoe bestaat het, hè?!”

Spoorwegen

Gerrit werkte 40 jaar als conducteur en machinist bij NS. “De NS had kosthuizen voor medewerkers. Eerst woonde ik in Venlo, bij oudere mensen in huis. Hij was koordirigent. Ik ontmoette hem na afloop van een kerkdienst, tijdens het koffiedrinken. Ik vertelde dat ze nog een kosthuis voor me zochten. Hij zei: “Ik zal es vragen wat Marie ervan denkt, of ze ’t er nog bij kan hebben naast onze twee jongens.” Marie vond het goed en toen heb ik daar een paar jaar gewoond. Natuurlijk werd ik ook lid van het operettekoor, haha! Maar het langst was ik in de kost bij Toon Gilzing en zijn gezin in Eindhoven. Toon heeft me grootgebracht bij de spoorwegen, hij was mijn mentor. Ik heb hun kinderen op zien groeien, twee jongens en een meid. Toon was als een tweede vader voor me. Daar heb ik het wel mee getroffen hoor. Ik heb altijd mensen om me heen gehad die voor me zorgden en waar ik voor kon zorgen.”
Na Eindhoven volgde Utrecht en later Amsterdam. Daar woonde Gerrit samen met collega Dolf. “Dolf was ook een spoorman, zo hebben we elkaar ontmoet. Hij zat altijd wat apart van de rest. Dolf kwam uit Nieuw-Weerdinge, of eigenlijk uit Amsterdam. Hij was één van tien kinderen, ze woonden in een veel te klein huis in de Jordaan. Via de kinderbescherming kwam hij als kleine jongen in Nieuw-Weerdinge terecht, bij de familie Grootten. Zij hadden zelf twee kinderen en namen Dolf op in hun gezin. Dolf is twaalf jaar jonger dan ik, maar we konden het goed met elkaar vinden. We trokken veel samen op en gingen ook op vakantie. Naar de Harz, naar zijn broer en zus in Canada.

Woonboot

In Amsterdam woonden we op verschillende plekken, onder meer in de woonboten voor NS-personeel die tegenover het station lagen. Daarna nog boven een café en in de buurt van het Binnengasthuis, bij De Meer, het stadion van Ajax. Dat was een mooie flat. Na Amsterdam gingen we naar Almere. We waren één van de eerste bewoners van de Molenstraat. Ik weet nog dat we daar door de modder heen liepen. We hadden een leuk hoekhuis, dat kon ook wel van twee salarissen. We deden alles in één pot, Dolf ging over het geld. Ik was makkelijk. Mijn zuster zei eens tegen mij: ‘Niemand heeft zoveel kleren als jij!’ Dat klopt, hoor. Ik vind, als je ‘op den vreemde bent’, dan zorg je ervoor dat je er netjes uitziet.

Dolf en ik deelden het huis, maar gingen ieder onze eigen weg. Ik ging naar Delden als ik dat wilde, en Dolf naar Nieuw-Weerdinge. Ik bezocht de katholieke kerk, Dolf ging naar de baptisten. Met kerst gingen we dan de ene keer naar de kerk van Dolf, de andere keer naar die van mij. Als je niet thuis kwam ’s avonds, dan belde je natuurlijk wel even, maar verder lieten we elkaar vrij. We hebben het goed gehad samen. Dolf heeft veel voor me gezorgd. Tegenover anderen noemde ik hem altijd een collega. Een woord als kameraad, dat hoorde hij niet graag.

Prins Carnaval

Ik vind het leuk om iets voor te dragen en mensen te entertainen. Hier in Holdert heb ik een keer als eerbetoon op Moederdag uit allerlei gedichten een gedicht over een grootmoeder gemaakt en voorgedragen. Ik ken het helemaal uit mijn hoofd. En bij de NS ben ik nog Prins Carnaval geweest, daar heb ik nog een foto van, in vol ornaat, compleet met Duitse hoed en pofbroek van damast.
Dat was een duur pak, het kostte wel 3000 gulden. Het ging van Prins tot Prins. Hier in Holdert ging ik ook nog een keer met activiteitenbegeleider Anja mee naar het carnaval. Ik trok een boerenkiel aan en nam de foto mee naar het feest. Anja stelde me voor aan de Prins en vertelde dat ik dat ook was geweest in Amsterdam. Ik liet hem de foto zien. ‘Zo’n mooi pak hebben we nu niet meer, hoor!’, zei hij.”

Volgende