“Zo kwam ik in mei 2021 hier in Holdert terecht.”

 

Terug

Winkelvrouw in hart en nieren

Bieny Wösten-Zaan en haar man Henk hadden jarenlang een zaak in Emmer-Compascuum. Eerst in textiel en manufacturen, later in woninginrichting. “Als er een lastige klus was, dan ging ik terug naar de stoffeerderij en zocht ik het helemaal uit.”

“Dit is de enige kleerhanger die ik nog heb uit de winkel die mijn man Henk en ik hadden. ‘Henk Wösten – de zaak voor u’, staat erop. De kleerhanger komt uit 1952, het jaar dat Henk begon met de zaak. Vorige week is mijn achterkleinzoon Koen geboren. Koen komt van ‘Kees Hendrik’. Zijn moeder Anneke wilde graag de naam van haar opa erbij. Koen krijgt de kleerhanger, daar wil ik iets speciaals van laten maken.

Gezellig

Wij hadden een zaak voor woninginrichting, dus alles bij ons in huis was mooi. We hadden bijvoorbeeld een gecapitonneerd bankstel. We gingen naar de beurs en als we iets zagen wat we echt mooi vonden, dan kochten we dat. Niet voor in de winkel, maar voor bij ons thuis. Er is niet veel meer van over, er is ontzettend veel weg. Je moet er ook ruimte voor hebben. Hier is het klein, ik moet er met de rollator kunnen lopen. Vind je het gezellig hier? Nou, ik ben anders gewend, maar het is zoals het is. Als je hier naartoe verhuist, neem je alleen het dierbaarste mee. Zoals de etsen aan de muur, de kraantjespot die ik van mijn moeder kreeg toen ik trouwde. Het houten beeldje van mijn schoonouders. Het zijn heel veel herinneringen. Ik heb één dochter, Karin. Zij regelde de verhuizing. Er zijn veel spullen weg, iedere dag zoek ik wel iets. Waar is dat nou gebleven?, denk ik dan.

In 2017 woonde ik in mijn eigen appartement in Ter Apel. Toen kreeg ik een hersenbloeding. Mijn arm is nog steeds verlamd, vandaar die draagband. Ik moest drie maanden revalideren in De Horst. Ik kon niet terug naar mijn appartement en verhuisde naar een appartement in De Schans in Emmerhout. Mijn broer woonde toen in de Herman Scholte-flat in Emmer-Compascuum. Zijn vrouw was inmiddels overleden. Hij vroeg of ik bij hem in de flat wilde komen wonen. De buurvrouw waar hij goed contact mee had, was ook overleden en hij voelde zich alleen. Dat heb ik toen gedaan.

Ik had een heel hechte band met mijn broer en zus. Nadat mijn man in 2009 overleed, waren we veel samen. Het ene weekend kwam mijn zus bij mij, het andere weekend ging ik naar haar toe. Dan kwam mijn broer ook en waren we de hele dag met z’n drieën. We gingen ook samen op vakantie. We hebben ontzettend veel aan elkaar gehad. Ik mis ze nog elke dag. In 2018 overleed mijn broer, hij was 88. Een jaar later stierf mijn zus. Ik verhuisde naar een aanleunflat even verderop in het dorp. Maar uiteindelijk ging het niet meer en had ik 24 uur per dag verzorging nodig. Zo kwam ik in mei 2021 hier in Holdert terecht.

Tweeling

Ik ben geboren in Emmer-Compascuum, in het tweede huis aan de Munsterseweg, de weg langs het Hoofdkanaal naar Roswinkel. Later verhuisden we naar het vijfde huis in de straat. Mijn broer en zus waren twee jaar ouder dan ik. Het was een tweeling, maar ze leken helemaal niet op elkaar. Mijn broer en ik wel. ‘Je kunt wel zien dat dat een tweeling is’, zeiden de mensen over ons. Maar dat was dus niet zo. Mijn broer en ik waren altijd samen, van kleins af aan. We waren heel ondeugend met z’n tweeën. We plaagden onze zus. Als we in de winter door het ijs heen trapten, moest zij met natte sokken naar huis om droge te halen.

Mijn moeder en haar ouders kwamen uit Emmer- Erfscheidenveen. Opa was bedrijfsleider, voorman bij een aannemersbedrijf. Hij overleed aan de Spaanse griep in 1918. Mijn moeder was toen 13 jaar. Mijn vader was een losse arbeider, dus zonder vast contract. Hij werkte in Witteveen, daar hielp hij mee bij de ontginning van het land. Later werd hij controleur van de gemeente. Hij bracht het geld van de uitkeringen bij de mensen langs die geen werk hadden. Hij had altijd zo´n ribcordbroek aan, met beenkappen en hoge schoenen. Dat moest van de gemeente. Ik zie hem nog zo voor me.

Mijn man kende ik al uit het dorp, maar we leerden elkaar pas echt kennen via zijn textielzaak. Omdat hij astma had, kon hij niet op de boerderij van zijn ouders werken. Hij ging naar Winschoten en werkte daar in de textielwinkel Van der Werf & co. Van daaruit ging hij naar een filiaal in Groningen, toen naar Nijmegen om uiteindelijk bedrijfsleider in Amsterdam te worden. Maar hij wilde toch weer deze kant op. Op 16 mei 1952 opende hij zijn eigen zaak in Emmer-Compascuum. Op 9 november ging ik er aan de slag.

Petten

 Ik had vijfeneenhalf jaar bij sokkenfabriek Bendien in Emmen gewerkt. Mijn moeder vond dat ik in betrekking moest, net als mijn zus, om het huishouden te leren. Daar had ik helemaal geen zin in. Uiteindelijk heb ik het toch een jaar gedaan, bij een hoofdonderwijzer en zijn vrouw. Later werkte ik op het land, dat beviel me heel goed. Maar ja, eind oktober hield dat op en zat ik zonder werk. Op een dag liep ik voor de zaak van Henk langs. Buiten hing een plank met petten. Ik had altijd kort haar en droeg ook een pet, dus ik bleef even staan om te kijken. We raakten aan de praat en ik vertelde dat ik zonder werk zat. Hij bood me een baan aan. Ik twijfelde. Vroeger trok hij wel eens aan mijn vlechten, haha! ‘Bij die vent wil ik niet werken!’, zei ik tegen mijn moeder toen ik thuiskwam. Maar ze was niet onder de indruk. ‘Kan me niet schelen, jij gaat aan het werk!’.

Het was een zaak in textiel en manufacturen. We verkochten kleren, ondergoed, jumpers, vesten, baby-uitzetten, maar ook vloerbedekking. Ik weet nog dat de petticoats in de mode kwamen. Dat waren van die enorm wijde rokken, er pasten maar een paar in de vakken, dan was het vol en kon er niks meer bij. We waren vaak ‘s avonds aan het werk. De etalage klaar maken, stroken kokosmatten aan elkaar naaien voor de verkoop. Of Jabo-sisal, dat was een wat fijnere kokosmat. We kregen het in rollen van een meter breed. Dat maakten we dan op maat voor de klanten. Mijn broer hielp ook vaak mee. Hij was toen nog niet getrouwd en anders zat hij toch maar alleen thuis. We konden goed met elkaar en hebben heel wat uurtjes met z’n drieën gewerkt.

Verkering

Het duurde tot 1957 voordat Henk en ik verkering kregen. December 1959 trouwden we voor de wet, dat was gunstig vanwege de belasting. Voor Henks ouders was ik niet goed genoeg. Iedereen in het dorp wist dat. Ze waren heel nieuwsgierig hoe dat zou gaan als we trouwden. Wie is erbij, wie hebben ze wel en niet uitgenodigd? Daar hadden we geen zin in. Daarom zijn we met onze beste vrienden als getuige getrouwd in Zenderen, in Overijssel. Verder waren alleen onze ouders erbij. Met een taxi gingen ze naar Zenderen. Mijn schoonmoeder protesteerde omdat zij niet als eerste werd opgehaald, maar daar heeft mijn man toen een stokje voor gestoken. Later kwam het wel goed, maar het is nooit zoals met je eigen ouders.

In 1962 werd ons zoontje Harry doodgeboren. Hij was een resuskindje. De dokter en kraamverpleegster hebben nog geprobeerd hem te reanimeren met wisselbaden, maar het was niet haalbaar. In het ziekenhuis zeiden ze dat we geen kinderen meer konden krijgen. Maar maart 1965, in de drukste tijd voor de winkel, werd onze dochter Karin geboren.

In 1969 stapten we over van manufacturen naar woninginrichting. Vloerbedekking, meubels, dat soort dingen. Het vloerenbedrijf werd gerund door mijn man. We hadden klanten door het hele land. De NAVO in Brunssum, het nieuwe postkantoor in Amsterdam, de V&D in Nijmegen. Vaak liep dat via een aannemersbedrijf in Vroomshoop. Zij kregen de klus, wij deden de inrichting. Maar daar hield vooral mijn man zich mee bezig. Ik deed de winkel en de stoffeerderij.

Hart en ziel

Onze dochter wilde de zaak absoluut niet overnemen. Overdag waren we bijna altijd in de winkel en ’s avonds kwamen mensen bij ons thuis langs om hun rekening te betalen. Daar had ze een hekel aan. Mijn man had het er moeilijk mee, maar heeft zich er uiteindelijk wel bij neergelegd. Zoiets moet je doen met hart en ziel, anders heeft het geen zin. Later was hij blij dat ze het niet had overgenomen. In 1985 kreeg ik twee keer een tia. Ik deed alles voor de zaak, maar toen ging het niet meer. Ik kon het geestelijk niet aan. ‘Dan doen we de boel toch weg?’ zei mijn man. Hij was toen 62, ik 53. Dat was een hele opluchting.

Mijn man had astmatische bronchitis, op een bepaald moment was zijn lichaam op. Hij zei: ‘Ik kan niet meer. Ik ben zo moe, laat mij maar gaan’. De dokter wilde dat hij naar het ziekenhuis ging, maar daar hebben mijn dochter en ik een stokje voor gestoken. Henk wilde dat zelf ook niet en hij was nog heel goed bij. In mei waren we 50 jaar getrouwd. Op 8 november werd hij 85, op 13 november 2009 is hij overleden. In 2000 ben ik naar Ter Apel verhuisd, waar ook mijn zus woonde.

Ik was een winkelvrouw in hart en nieren. Ik vond alles leuk, ik mocht het zó graag doen! Ik weet nog wel dat een van onze medewerkers vroeg of we ook de zitting van een brommer opnieuw konden overtrekken met skai. Mijn man zei: ‘Ja hoor, dat kan wel’. Maar de jongens waren er niet gerust op. ‘We hebben dat werk wel aangenomen, maar we krijgen het niet voor elkaar.’ ‘Ach’, zei mijn man, ‘dat doet mijn vrouw wel even.’ En het is me ook gelukt, hoor. Als er een lastige klus was, dan ging ik terug naar de stoffeerderij en zocht ik het helemaal uit.

Handwerken

Van kinds af aan was ik bezig met naaien. Mijn moeder kocht lapjes stof en dan maakte onze huisnaaister kleren voor ons. Daar zat ik dan met mijn neus bovenop. Ik naaide ook kleren voor mijn popjes. Breien, handwerken, naaien, ik vond het mooi werk. Na de hersenbloeding was dat ook de allergrootste strop, dat ik niet meer kon breien. Ik heb altijd gezegd, als ik niet meer werk, ga ik handwerken. Dat kan ik niet meer. Ik heb wel gevoel in mijn hand, maar geen kracht meer. Zo jammer.

Ik ben heel vaak verhuisd en ik hoop echt dat dit de laatste keer was. Ik woon hier op zich goed. Als er iets leuks te doen is in Holdert, ben ik erbij. Ik moet een beetje afleiding hebben. Beneden heb ik wel wat contact met anderen. Een vriendin woont in een van de aanleunwoningen, zij komt wel eens aanwaaien. Verder heb ik een goede band met de oudste dochter van mijn zus en haar man. En iedere zaterdagmorgen komt mijn eigen dochter langs. Toch mag ik hier niet graag zijn. Ik voel me zo alleen. Je mist zoveel, hè? Zoveel herinneringen… Maar dat ligt niet aan de verzorging, hoor. Wat dat betreft kun je hier best wezen.”

Volgende